Standaardafbeelding
Contact

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Lange Kievitstraat 111-113 bus 100

2018 Antwerpen

België

T 0032 (0)3 224 95 50

info@kmska.be

Website

De schilderskamer van het Sint-Lucasgilde 

De collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen heeft een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot de verzameling van het Sint-Lucasgilde in de vijftiende eeuw. In de zeventiende eeuw volgen de gildeleden nog steeds de gewoonte om werken aan het gilde te schenken en in de vergaderzaal te tonen. Van 1530 tot 1662 huurt het gilde een zaal in het gildehuis van de Kolveniers op de Grote Markt in Antwerpen.

In de schilderskamer worden de kunstwerken getoond maar wordt er ook vergaderd en worden schilderijen geveild door een knaap of bode. Abraham Grapheus (of Abraham de Graef) is zo'n gildeknaap. Wanneer schilder Cornelis de Vos deken wordt in 1620 schenkt hij een portret van Grapheus. Grapheus poseert met allerlei trofeeën en is behangen met een reeks zilveren platen of breuken vastgemaakt aan een sierketting. Het is treffend dat het eerste zeventiende-eeuwse werk dat in de verzameling wordt opgenomen over kunstenaars en kunstenaarspraktijken gaat.

Ook de basis voor de uitzonderlijk rijke collectie Rubens van het museum ligt in de schilderskamer. Ruim tien jaar later dan de Vos schenkt Peter Paul Rubens Heilige familie met de papegaai naar aanleiding van zijn decanaat. Het werk bestond al maar voor de gilde past hij de afmetingen aan, voegt hij de figuur van Jozef toe en herwerkt hij het geheel.

De academie in de Handelsbeurs 

De Academie betekent een volgende grote stap in de uitbouw van collectie zeventiende eeuw. In 1663 verleent Filips IV het recht om binnen het Sint-Lucasgilde een academie op te richten in navolging van Rome en Parijs. Oud-deken David Teniers II ziet hierin de manier om het kunstenaarsleven nieuw elan te geven. Het Antwerpse stadsbestuur stelt lokalen ter beschikking in de beurs en het Sint-Lucasgilde verplaatst de collectie van de schilderskamer naar een zaal in de oostelijke vleugel van de galerij. Aan de schilders en beeldhouwers wordt gevraagd om werken ter beschikking te stellen en er komt ook een toneel zodat de rederijkerskamers De Violieren en De Olijftak, waarmee het Sint-Lucasgilde verbroederd was, er kunnen optreden.

Jacob Jordaens I en Theodor Boeijermans maken drie stukken voor de zoldering van deze nieuwe schilderskamer die nog steeds in de collectie bewaard worden. Jordaens' Pegasus en Nijverheid en handel die de bloei van de kunst bevorderen en Boeijermans' Antwerpen, voedster van de schilders laten zien hoe de inspiratie schilderkunst en dichtkunst verenigt en leidt tot de bloei van de kunsten in Antwerpen. Dirck van Delen (in samenwerking met Boeijermans) vult dit programma aan met Allegorie van de kunstenwaarin dichtkunst en schilderkunst liefdevol naast elkaar zitten.

Artus Quellinus I schenkt een wit marmeren beeld van Luis de Benavides Carillo, markies van Caracena, landvoogd van de Spaanse Nederlanden als dank voor zijn steun.

In de loop van de eeuw krijgen nog twee landvoogden een buste. Lodewijk Willemsens maakt in 1675 Juan Domingo de Zuñiga y Fonseca, graaf van Monterey, landvoogd van de Spaanse Nederlanden en Willem Kerrickx vervaardigt de buste van Maximiliaan II Emmanuel, keurvorst van Beieren, landvoogd van de Spaanse Nederlanden in 1694. In het nieuwe negentiende-eeuwse museumgebouw krijgen zij een ereplaats aan de ingang en later in de grote traphal of de De Keyserzaal.

In de voorzaal van de schilderskamer worden de portretten van de gildebestuurders getoond en stichtende schilderijen over het kunstonderwijs zoals bijvoorbeeld De studie van de kunst in Rome van Anton Goubau uit 1662. Tijdens de achttiende eeuw ging men door met deze traditie en de leraren en gildeleden vulden de collectie verder aan.

De Franse tijd

De Franse tijd betekent een enorme aangroei van de collectie van onder andere zeventiende-eeuwse werken uit de Zuidelijke Nederlanden en in die periode wordt de collectie van de academie uitgebouwd tot een museum.

Op 23 juli 1794 bezet een Frans republikeins regiment Antwerpen. De portretschilder Jacques-Luc Barbier (1769-1860), luitenant in het Franse revolutionaire leger, is belast met het samenbrengen van het kunstbezit om het naar Parijs te vervoeren. Er volgen drie zendingen en de tweede in oktober 1794 bevat onder andere werken uit de schilderskamer en de academie die gesloten wordt.

Het Franse bestuur wil de resterende kunstwerken uit kerken en kloosters openbaar verkopen. Willem Jacob Herreyns (1743-1827), directeur van de Antwerpse academie, probeert de werken die zich in Frankrijk bevinden terug te halen en de kunstwerken die gebleven zijn te vrijwaren van verkoop. Hij zoekt de hulp van Simon Pierre Dargonne (1749-1839), een Fransman die al langer in Antwerpen woont en verantwoordelijk is voor het cultuur- en onderwijsbeleid in de stad. Na twee jaar, in 1796, slaagt Dargonne erin het kunstonderwijs terug op te starten.

Een speciale commissie wordt opgericht om in kerken, kloosters en abdijen uit de provincie Antwerpen kunstwerken uit te kiezen die belangrijk genoeg lijken om bewaard te worden. Het gaat om werken die een belangrijke rol kunnen spelen in de opleiding van jonge kunstenaars. Meer dan 300 schilderijen worden gered en opgesteld in het voormalige klooster van de Ongeschoeide Karmelieten: het museum van de 'Ecole Centrale'. Vanaf 1804 verandert de naam in 'Académie de Peinture, Sculpture et Architecture de la Ville d'Anvers' en wordt er een museum ingericht in de kloosterkerk. Academie en museum worden bij keizerlijk decreet aan de stad overgedragen op 5 mei 1810.

Herreyns probeert de topstukken uit Parijs terug te krijgen. Het lukt hem uiteindelijk om twee werken van Rubens naar Antwerpen te halen. De Heilige familie met de papegaai uit de schilderskamer en het schilderij dat boven Rubens' graf in de Sint-Jacobskerk had gehangen. Beide schilderijen worden tentoongesteld in de ruimten van de 'Ecole Centrale'. Het eerste blijft in de collectie, het andere gaat later naar de Sint-Jacobskerk.

Na herhaaldelijke, soms bijna succesvolle, pogingen is het wachten tot 1815 voordat de schilderijen terug naar Antwerpen komen. En dan worden alle werken, voor zo ver mogelijk, naar hun oorspronkelijke locatie gebracht.

Na 1815

De gebeurtenissen tijdens de Franse periode zijn bepalend voor de samenstelling van de collectie en in het bijzonder voor de zeventiende-eeuwse werken uit de Zuidelijke Nederlanden. Allereerst zijn er de werken die deel uitmaken van het bezit van het Sint-Lucasgilde en academie aangevuld met de werken die door Herreyns samengebracht werden uit de kerken en kloosters uit Antwerpen en omgeving. Een honderdtal zeventiende-eeuwse altaarstukken, portretten en dergelijke meer worden overgedragen aan het museum.

Het gaat om de werken (inv. nr. 164, 165, 166, 167) door Philip Fruytiers uit de kerk van de Minderbroeders en altaarstukken uit andere Antwerpse kloosterkerken zoals het Huwelijk van Maria door Gerard Seghers gemaakt voor de ongeschoeide karmelieten, de discalsen (inv. nr. 508. 509, 512).
Ook de verkoop van het altaarstuk van het Sint-Lucasgilde (inv. nr. 88), uit de kathedraal afkomstig, wordt verijdeld en opgenomen in de collectie. Het gaat ook om de altaren van andere ambachten zoals de muntmakers, door Maerten de Vos en de metselaars door Frans Francken II en de altaren van de schutterijen.

Het overwicht ligt bij religieuze historiestukken uit kerken en kloosterkerken uit Antwerpen en Mechelen maar er zijn ook portretten uit instellingen zoals Jordaens' Antwerpse Gasthuisnonnen uit het Sint-Elisabethgasthuis.
Heilige Ignatius van Loyola in een bloemenkrans een samenwerking tussen Jan van Balen, Cornelis Schut I en Daniël Seghers is een stuk uit de Carolus Borromeuskerk en van Jan Cossiers zijn er twee werken (inv. nr. 37, inv. nr. 40) uit de kerk van het profeshuis van de Jezuïeten.

Uit het Bisschoppelijk Paleis, met 11 werken in de collectie, komen enkele genrestukken: Feest aan de Diesdelle door Denis van Alsloot, de Roker van Jan Cossiers en IJsvermaak van Sebastiaan Vrancx.
Twee Hazewinden van Joannes Fijt komt uit Commanderie Pitsenburg van de Duitse Orde in Mechelen net zoals het Vogelconcert, toegeschreven aan Paul de Vos.

De echte topstukken komen in de collectie na de restitutie in 1815. Het zijn er negentien: het Laatste Avondmaal van Jordaens, twee van Cornelis de Vos, vijf van Anthony van Dyck en elf Rubensen waaronder de twee schetsen voor de Erepoort van de Munt en het ontwerp voor de Zegewagen van Kallo.

Wat de kerken betreft: Christus aan het kruis (De lanssteek in opdracht van Nicolaas Rockox voor de Minderbroederskerk); een kleine versie van de Kruisafneming (inv. nr. 315) ook uit de Minderbroederskerk; het hoofdaltaar uit de kerk van de Sint-Michielsabdij: Aanbidding door de koningen; Laatste communie van de heilige Franciscus van Assisi besteld door de familie Charles in 1619. En tot slot de epitafen de Heilige Drievuldigheid en de twee drieluiken: Epitaaf van Jan Michielsen met als centrale scène Christus op het stro en Epitaaf van Nicolaas Rockox met de portretten van de burgemeester en zijn vrouw op de luiken.

Bovenop het twintigtal portretten dat op het einde van de achttiende eeuw werd overgedragen, komen er nog belangrijke stukken bij: van Anthony van Dyck het portret van Cesare Alessandro Scaglia (niet eigenhandige kopie naar het origineel in de National Gallery in Londen) en de Bewening van Christus, die in opdracht van Scaglia werd gemaakt voor de Smartenkapel in het Minderbroedersklooster. Ook de Heilige Familie met de papegaai van Rubens en Abraham Grapheus keren terug samen met Cornelis de Vos' De Burgers van Antwerpen brengen de monstrans en de gewijde vaten die ze verstopt hadden voor Tanchelm naar de heilige Norbertus van Magdeburg.

In 1815 bezat het museum 122 schilderijen en 3 sculpturen van de meest vooraanstaande meesters uit de barok in de Zuidelijke Nederlanden. Het valt op dat de stichter van de Academie, David Teniers II, niet vertegenwoordigd is. Dit wordt rechtgezet door de schenking van De stad Valenciennes door koning Willem II gekocht op de veiling van de verzameling van Edmond Bourke. In 1840, op de veiling Schamp van Aveschoot in Gent, wordt ook Voor de kroeg van Teniers gekocht. Er volgen er nog elf (laatste in 1996). Samen met de groeiende belangstelling voor Teniers krijgt de genreschilerkunst meer aandacht met werken van onder meer Joos van Craesbeeck en Adriaen Brouwer.
De eerste aankoop van het museum is De profeet Elia gevoed door een raaf van Gaspar De Crayer, in 1826 gekocht uit een nalatenschap.

Na 1841

Daarna is het een tijdje stil totdat na 1841 het museum meer middelen krijgt om de collectie uit te bouwen. Er wordt vooral ingegaan op aanbiedingen en gekocht op veilingen. Men ziet er op toe dat het werk geschikt is als voorbeeld voor een volgende generatie kunstenaars, het argument dat ook Herreyns hanteerde. De zeventiende eeuw krijgt veel aandacht en vanaf het midden van de negentiende eeuw kiest men ervoor om de collectie te diversifiëren. Genrestukken, landschappen, interieurs en andere zijn ondervertegenwoordigd en men tracht ook nieuwe namen te introduceren, vooral de schilders uit de Noordelijke Nederlanden. In augustus 1878 wordt in Antwerpen de verzameling Geelhand de Labistrate geveild. Het museum koopt een landschap van Teniers, een stilleven van Pieter Gysels en een portret van Helena Fourment van Daniël Mytens, nadien toegeschreven aan Jan Boeckhorst.

Het legaat van barones Adelaïde Van den Hecke-Baut de Rasmon bestaat grotendeels uit werk uit de Hollandse zeventiende eeuw. Maar bij de 41 werken zit er ook een werk van Rubens, portretten door Erasmus Quellinus II en Joannes Fijt, Gonzalez Cocques, Jordaens en landschappen van Pieter Bout en Lucas van Uden.

In 1880 koopt het museum van mevrouw Pelgrims-Hanegraeff een bloemstuk van Jan Brueghel I. Tot dan toe was er geen werk van deze schilder, het Blazoen in samenwerking met Hendrik van Balen I en anderen uitgezonderd.

In de volgende 50 jaar volgen nog zes werken van Jan Brueghel I, veelal dankzij schenkingen of steun van mecenassen als Oscar Nottebohm en van verenigingen als Artibus Patriae. Deze groep kunstliefhebbers schenkt of bemiddelt voor 18 werken in de periode 1866 tot 1943.

Wildens' Landschap met dansende herders introduceert een nieuw aspect van de landschapskunst met zijn groot opgezette compositie, ook nieuw in de verzameling zijn de vier ‘gevechtjes' van Sebastiaan Vrancx die sinds 1909 gekocht of geschonken worden. Het enige schilderij van Jan Siberechts wordt aangevuld met een viertal andere schilderijen.

Minerva op bezoek bij de Muzen is een in alle opzichten belangrijke aanwinst die werd gelegateerd door mevrouw Maria Selb-Van Humbeeck in 1925. Mythologische voorstellingen zijn sowieso schaars in de verzameling, maar dit vrij grote paneel is een voorbeeld van de samenwerking tussen drie kunstschilders die elk uitmuntend zijn in hun specialiteit: Hendrik van Balen I (figuren), Joos de Momper II (landschap) en Jan Brueghel I (bloemendecoratie).

In 1905 koopt men het gesigneerde Visstilleven van Clara Peeters en er volgen nog vier werken van Frans Snijders zodat ook het stilleven aan diversiteit wint. De portrettenverzameling stijgt met bijna dertig werken zoals het Portret van een familie van Cornelis de Vos.

In 1880 wordt een eerste zeventiende-eeuws beeld aangekocht: Caritas Romana aangeboden als Artus Quellinus I wordt later toegeschreven aan Jerôme Duquesnoy II. De drie portretbustes werden ondertussen aangevuld met onder andere de bustes van Keizer Rudolf II en Aartshertog Albert van Oostenrijk uit het stadhuis. De bescheiden sculptuurcollectie, een tiental, telt grote namen en Artus Quellinus I sluit het rijtje af met Aeneas draagt zijn vader Anchises weg uit het brandende Troje (gekocht in 1993). De terracotta's, sinds 2000 in bruikleen van de Koning Boudewijnstichting, vullen de beperkte collectie aan.

Jordaens, Rubens en Van Dyck 

Extra inspanningen worden geleverd om nieuwe namen in de collectie te introduceren zonder dat de kern, of de grote namen, van de collectie verwaarloosd wordt. De aangroei van het werk van Jordaens is spectaculair met de veertien werken die na 1816 werden verworven, waaronder het mythologische tafereel Meleager en Atalante. Het ontstaansproces wordt duidelijk gemaakt met de olieverfschetsen zoals Studiekoppen en Triomf van Frederik Hendrik. De tekening van De Koning drinkt is een schets die gebruikt werd om een gravure van het schilderij te maken.

Het museum slaagt er ook in olieverfschetsen van Rubens of uit zijn omgeving te kopen, zoals in 1977 Minerva en Hercules verdrijven Mars en Keukenmeid, slager en jongen bij een tafel in 1999.

In 1875 legateert graaf Philippe Arnold Louis Joseph Gillès van 's Gravenwezel Rubens' Portret van Gaspard Gevartius en een jaar later volgt het legaat Jozef De Bom met het monumentale doek Het doopsel van ChristusVenus Frigida en De verloren zoon, aangekocht in 1881 en 1894, illustreren de veelzijdigheid van de kunstenaar.

Van Anthony van Dyck koopt men 4 portretten, waaronder het Portret van Marten Pepijndat wordt gekocht op de veiling van de verzameling van Edouard Pierre Rombaut Kums. En tot slot in 1998 een olieverfschets: een voorstudie voor het altaarstuk met de heilige Augustinus.

Met de bruikleen in 1958 van de drie altaarstukken die Rubens (inv. nr. IB1958.001), Jordaens (inv. nr. IB1958.002) en van Dyck (inv. nr. IB003) voor de kerk van de Augustijners in Antwerpen hebben gemaakt, sluit men aan bij waar het allemaal begon.

Tot slot

Sinds 1815 tot het einde van de negentiende eeuw groeit de barokcollectie aan met 53 schilderijen. In de twintigste eeuw komen er nog een honderdtal bij waarvan de helft tussen 1901 tot 1914.

De barok in de Zuidelijke Nederlanden is in de museumcollectie vertegenwoordigd met bijna 300 schilderijen, tekeningen en beeldhouwwerken.

Nanny Schrijvers

CC BY (Creative Commons 4.0)