Anthony van Dyck

Anthony van Dyck, ‘Plantin-Moretus/Prentenkabinet, Antwerpen’Anthony van Dyck is een Antwerpse schilder, tekenaar en prentkunstenaar. Hij is de beroemdste discipel uit de stal van Peter Paul Rubens (1577-1640). Die laatste noemt hem onomwonden zijn beste leerling. Het wonderkind van Dyck werkt in een razend tempo aan een bijzonder welgevuld oeuvre. Hij is samen met Rubens een van de bepalende figuren van de barok.

Van Dyck wordt onderricht in het Latijn en frequenteert net als Rubens humanistische kringen. Hij spiegelt zich aan het renaissancistische ideaal van de hoveling. De schilder valt op door zijn sterke en charmante persoonlijkheid.

Van Dyck is naast Antwerpen ook actief in Italië en Engeland, waar hij hofschilder van koning Karel I is en in 1641 vroegtijdig sterft. Hij wordt net als Rubens door de kunst uit Venetië beïnvloed. Van Dyck bezit een snelle schilderstechniek met losse en zichtbare verftoets. Brede verfstreken worden op een losse, virtuoze manier op de drager aangebracht. Men vergelijkt zijn techniek en zeggingskracht met die van Titiaan (Circa 1485/90-1576). Zijn figuren hebben vaak emotioneel geladen gezichten, een facet waarmee hij vele kunstenaars in de Nederlanden beïnvloedt. Van Dyck is ook een meester in het verkort perspectief, een kwaliteit die onder andere tot uiting komt in de plafondschilderijen die hij, via Rubens, voor de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen in 1620 vervaardigt. Verder zijn de invloed van Rubens, Rafaël (1483-1520) en Guido Reni (1575-1642) onloochenbaar.

Van Dyck vervaardigt monumentale altaarstukken en is een leidinggevende figuur in de portretkunst van de 17e eeuw. Ruiter-, groeps- en kinderportretten zijn een kolfje naar zijn hand. Hij weet het aristocratische decorum te verzoenen met het informele en tijdelijke van het portret, alsof het een snapshot is. Met zijn meesterlijke stofuitdrukking, architecturale elementen die hij gebruikt als achtergronddecor en monumentale portretten ten voeten uit oefent van Dyck veel invloed uit. Het hoogtepunt zijn de drie monumentale portretten van Karel I, koning van Engeland.

22 maart 1599

Anthony van Dyck wordt in Antwerpen geboren.

1609

Van Dyck is een leerling van Hendrik van Balen I (1573-1632). Het is mogelijk dat de jonge van Dyck de Venetiaanse stijl bij van Balen, die een tijd in Venetië heeft gewerkt, heeft opgestoken.

Circa 1613

Van Dyck schildert op zeer jonge leeftijd Zelfportret (Akademie der bildenden Künste, Wenen).

1615

Reeds op 16-jarige leeftijd heeft van Dyck een eigen atelier in Antwerpen.

Van Dyck schildert Zelfportret (Rubenshuis, Antwerpen). Tot op heden nam men aan dat het om een portret door Rubens ging.

Circa 1617-1618

Van Dyck assisteert bij Rubens' tapijtenreeks rond Decius Mus.

1618

Anthony van Dyck wordt vrijmeester in het Antwerpse Sint-Lucasgilde en werkt samen met Peter Paul Rubens in diens Antwerpse atelier. Op 24 april probeert Rubens met Sir Dudley Carleton een deal te sluiten aan de hand van van Dycks schilderij Achilles en de dochters van Lycomedes. Rubens vermeldt dat het is gemaakt door zijn beste leerling. ("fatto del meglior mio discepolo") (Museo del Prado, Madrid)

Circa 1618-1620

Een vroeg meesterwerk ziet het licht. Samson en Delilah (Dulwich Picture Gallery, Londen) roept reminiscenties op aan de versie van Rubens uit 1609-1610. (National Gallery, Londen)

1620

De leiding over het decoratieve programma van de 39 plafondschilderingen in de Antwerpse Sint-Carolus Borromeuskerk geeft Rubens aan van Dyck. Hij voert de meeste plafondschilderingen zelf uit. In 1718 lopen de schilderingen door een brand na een blikseminslag onherroepelijke schade op.

Circa 1620

Bellori meldt in zijn Le vite de' pittori, scultori ed architetti moderni uit 1672 dat van Dyck modelli, gebaseerd op werken van Rubens, vervaardigt. Deze zijn bedoeld als voorbeeld voor de gravures van Lucas Vorsterman (1595-1675).

Van Dyck arbeidt niet enkel in Rubens' atelier, maar produceert ook eigen werk met het oog op de verkoop.

Christus aan het kruis (De lanssteek) wordt het nieuwe altaarstuk van het hoogaltaar van de Antwerpse Minderbroederskerk. (KMSKA, Antwerpen) De hand van van Dyck is zichtbaar in dit schilderij.

1620-1621

De Heilige Martinus (Sint-Martinuskerk, Zaventem) is classicistisch van aard en heeft grote raakvlakken met het werk van Rubens.

De doornenkroning (Museo del Prado, Madrid) is nog een schilderij dat sterk aanleunt bij het werk van Rubens. Het behoort overigens tot Rubens' privécollectie.

1621

Van Dyck verlaat het Rubensatelier en trekt naar Engeland. Waarschijnlijk komt van Dyck in november in Genua aan.

1622

Van Dyck resideert in Venetië en leert de gravin van Arundel kennen. Hij vergezelt haar op trips naar Mantua, Milaan en Turijn. In Turijn krijgt hij opdrachten van hertog Karel Emanuel van Savoye.

1623

Voor de tweede keer bezoekt van Dyck Rome.

1624

Van Dyck trekt naar Palermo (Sicilië).

1625-1627

Van Dyck schildert portretten van het stedelijk patriciaat in Genua.

1627

De schilder leeft en werkt terug in Antwerpen. Zijn successen in Italië hebben, net zoals bij Rubens, de weg geplaveid. Hij krijgt in deze periode vele opdrachten voor altaarstukken in het kader van de contrareformatie. Van Dyck schildert rond circa 1626-1628 Portret van Joannes Malderus, bisschop van Antwerpen (KMSKA, Antwerpen)

1628

Voor het linker zijaltaar van de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen vervaardigt van Dyck De Heilige Augustinus van Hippo in extase (KMSKA, Antwerpen). Op het hoofdaltaar komt Rubens' Tronende Madonna omringd door heiligen (KMSKA, Antwerpen) en op het rechter zijaltaar Jacob Jordaens' De marteling van de Heilige Apollonia (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel).

1628-1630

Anthony van Dyck wordt door aartshertogin Isabella benoemd tot hofschilder.

1628-1631

In deze periode schildert van Dyck twee werken met pastorale verhaalstof gebaseerd op Torquato Tasso en Guarini: Rinaldo en Armida (Musée du Louvre, Parijs) en Amaryllis en Myrtillo (Collectie Graaf Schönborn, Pommersfelden). Beide werken worden in opdracht gegeven door stadhouder prins Frederik Hendrik van Oranje (1584-1647).

1629

Christus aan het kruis met de heilige Catharina van Siena, de Heilige Dominicus en een engel (KMSKA, Antwerpen) is aanwezig in de kerk van het klooster van de dominicanessen in Antwerpen. Rond circa 1629 vervaardigt van Dyck een Bewening van Christus voor het hoogaltaar van de begijnhofkerk in Antwerpen (KMSKA, Antwerpen).

1631

De kruisoprichting in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk roept reminiscenties aan de versie van Rubens in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal op. De Kruisiging in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen is dan weer vergelijkbaar met Rubens' Christus aan het kruis (De lanssteek) uit 1620.

1632

Van Dyck maakt het portret van de schilder Marten Pepijn (1575-1643). (KMSKA, Antwerpen)

Anthony van Dyck trekt opnieuw naar Engeland en neemt zijn intrek in een huis in Blackfriars, net buiten het toenmalige centrum van Londen. Hij krijgt er opdrachten van koning Karel I en van de Engelse aristocratie.

5 juli 1632

Van Dyck wordt geridderd en wordt hofschilder van koning Karel I.

1632-1644

Van Dyck werkt in deze periode aan de grote reeks portretprenten die bekendstaat als de Iconographie.

April 1633

Van Dyck ontvangt de gouden ketting en medaille van koning Karel I. Er wordt hem een jaarlijks salaris van 200 pond beloofd. Van Dyck staat nu als sir Anthony van Dyck te boek en heeft naar verluidt 6 bedienden in dienst.

Circa 1634

Het Portret ten voeten uit van Cesare Alessandro Scaglia di Verrua, abbé van Staffarda en Mandanici ontstaat waarschijnlijk in deze periode. (niet-eigenhandige kopie in KMSKA, Antwerpen, oorspronkelijk exemplaar in de verzameling Cameron in Londen)

1634-1635

Van Dyck is in Brussel en schildert portretten van de aristocratie in de Zuidelijke Nederlanden.

18 oktober 1635

Van Dyck wordt verkozen (honoris causa) tot deken van het Antwerpse Sint-Lucasgilde.

Circa 1635

Bewening van Christus (KMSKA, Antwerpen) wordt in opdracht van Cesare Alessandro Scaglia di Verrua, abbé van Staffarda en Mandanici gemaakt. Het stuk wordt in 1641 boven diens graf in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten in het Minderbroedersklooster in Antwerpen gehangen.

1635-1639

Van Dyck is terug in Engeland.

30 mei 1640

Peter Paul Rubens sterft.

1640

In de herfst van 1640 is van Dyck terug in Antwerpen. Hij krijgt er de opdracht om een altaarstuk rond het martelaarschap van de Heilige Joris te vervaardigen, bedoeld voor de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Van Dyck zou het stuk voor 2200 gulden leveren. Hoewel het werk nooit geschilderd is, toont de kostprijs aan dat van Dyck op hetzelfde gereputeerde niveau als Rubens acteert.

9 december 1641

Anthony van Dyck sterft in zijn huis in Blackfriars in Londen.


Matthias Depoorter